De afschaffing

Rond 1800 waren er steeds meer mensen in de Verenigde Staten tegen de slavernij. Er ontstond een beweging voor de vrijlating van de slaven: het Abolitionisme ('abolition' betekend in het Engels'vrijlating')

Met de oprichting van de West-Indische Compagnie in 1621 begint Nederland met de handel in slaven. Aanvankelijk trekken schepen van de WIC er vooral op uit om oorlog te voeren met de Spanjaarden en de Portugezen en hun schepen te kapen. In 1628 verovert Piet Hein de Spaanse zilvervloot en raakt Portugal fort Elmina in Ghana kwijt aan Nederland. Het lukt Nederland tussen 1624 en 1654 ook om delen van Brazilië te veroveren plus een hele rits koloniën in handen te krijgen: Suriname, Berbice, Essequibo-Demerary, en de Antilliaanse eilanden Aruba, Bonaire, Curaçao, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba.

In een aantal van die gebieden zijn veel plantages, maar te weinig arbeidskrachten, en daarom is er behoefte aan nieuwe slaven uit Afrika.  Aan het einde van de achttiende eeuw veranderen de grote Europese landen van mening over de slavenhandel. De Engelsen verbieden de slavenhandel in hun koloniën in 1807. Ze oefenen druk uit op de Nederlanders om dat ook te doen, maar die doen dat pas in 1814. Het afschaffen van de handel in slaven betekent niet dat de slavernij ook wordt afgeschaft: er komen alleen geen nieuwe Afrikanen meer bij. Engeland en Frankrijk schaffen de slavernij in hun koloniën af in 1833 en 1848. Als een van de laatste landen in Europa doet Nederland dat pas op 1 juli 1863.

De slaven waren blij met de afschaffing , maar er zat nog een addertje onder het gras. Om de plantagehouders niet te veel te duperen hadden Nederlanders bedacht dat alle slaven tussen de 15 en 60 jaar oud verplicht waren zich nog 10 jaar te verhuren als contractarbeider. Dit noemde men de periode van staatstoezicht. De slaven waren dus nog niet helemaal vrij.